h

Stofontwikkeling cokesfabriek op Maasvlakte

13 juli 2000

Stofontwikkeling cokesfabriek op Maasvlakte

Naar aanleiding van berichten uit het Rotterdams Dagblad van 12 juli jl " Verontruste Burgers bang voor cokesfabriek op Maasvlakte" ,(vrees bestaat voor grote stofontwikkeling)en het artikel in Milieu Sensor van de DCMR Milieudienst Rijnmond betreffende fijn stof heeft de SP op grond van art. 53 de navolgende vragen aan het college:

Heeft het college kennis genomen van de beide bovengenoemde artikelen?

Is het juist dat de vereniging Verontruste Burgers van Voorne (VVBV), de Zuid-Hollandse Milieufederatie samen met de ECT en DFDS Tor Line bezwaarhebben aangetekend tegen het voornemen van de gemeente Rotterdam om een bouwvergunning te verlenen voor een fabriek die een grondstof voor ondermeer dealuminium,staal - en titaanindustrie produceert uit petroleum-cokes?

Bent u met mij van mening dat gezien de aard van de grondstof en de handelingen die ermee worden verricht de besluitvorming van deze vergunningverlening voor deze milieubelastende activiteit uiterst zorgvuldig moet plaatsvinden?

Kan het college aangeven hoe het calcineringsproces op de maasvlakte wordt uitgevoerd,wat zijn de emissies van deze fabriek (lucht en water) en wordt dit bedrijf als chemisch bedrijf of als hoogovenbedrijf geclassificeerd?
Waarom?

Is het college met mij van mening dat een dergelijke fabriek op deze lokatie in strijd met het aldaar geldende bestemmingsplan, wat aangeeft dat er zich geen bedrijven met verbrandingsprocessen (zoals plaatsvinden in hoogoven en/of electriciteitscentrales) mogen vestigen?

In de aanmeldingsnotitie wordt melding gemaakt van 2 lokaties,nl. ten westen van de MOT(Maasvlakte Oil Terminal; de lokatie ten zuiden van de Yangstehaven en ten noorden van de Lyondell locatie tevens wordt in de aanmeldingsnotitie expliciet vermeld dat er geen alternatieve locaties zijn. Op welke manier zijn de lokatie-, dubbele doelstelling (versterking van de economische positie EN verbetering van de leefbaarheid in het Rijnmondgebied) geluids- en de milieueffecten van beide lokaties onderzocht en wat is de uitkomst hiervan?

Is het college met mij van mening dat voor dergelijke bedrijfsactiviteiten binnen het geldende bestemmingsplan een MER-verplichting noodzakelijk is, gezien de dubbele doelstelling in het kader van ROM-Rijnmond en PMR?Zo nee, waarom niet?

Is het juist dat tijdens een informatiebespreking op 12 april jl. een derde lokatie werd gepresenteerd en dat deze lokatie nu de voorkeur heeft van zowel de gemeente Rotterdam als het betreffende bedrijf?
Zo ja, waarom is deze lokatie door de gemeente niet meegenomen in de aanmeldingsnotitie?

F. Vergeer-Mudde

U bent hier